In de streek Puglia is de afwijkende betekenis van Corso: "grof, robuust en
sterk", omdat dit het karakter van de honden beschrijft. Een Pugliaanse
uitdrukking is: "Forte come un Corso", dat betekent "Sterk als
een Corso". Deze uitdrukking werd gebruikt om sterke mannen te beschrijven.
In het Mollossische en Abruzzanische woordenboek kun je de betekenis van de
rasnaam opzoeken: "Cane Corso: Waakhond van Campobasso".
De andere veronderstelling is dat Corso afstamt van het Latijnse woord "Cohors",
dat beschermer of bodyguard betekent. Niemand weet of de naam, Cane Corso, voor
of tijdens het Romeinse Rijk al bestond of dat de naam pas later gebruikt werd.
Omdat men vond dat er teveel verwarring was over de afkomst van de Cane Corso (vaak
werd gedacht dat hij uit Corsica afkomstig was) werd in 2000 besloten de naam te
veranderen in Cane Corso Italiano.
Sinds de val van het Romeinse Rijk is de Cane Corso voor verschillende doeleinden
gebruikt in heel Zuid Italië, waar het ras veel voor kwam. Er waren lokale
variaties die: "Cane Corso, Can’Curs, Can’Guzzo, Cane-E-Presa of gewoon
Molosso" genoemd werden.
Verder wordt het ras genoemd naar het gebruik Cane di Maccelaio (slagershond) of Cane
di Carritiere (drijvershond) etc. Het gebruik van het ras verschilde erg. De
oorspronkelijke taak was bewaking van landgoed en bescherming van vee tegen
wolven en veedieven. Wanneer de honden het vee moesten beschermen, droegen ze
een ijzeren halsband die hen beschermde tegen aanvallen van wolven. Deze
stekelige halsband wordt "Vraccale" genoemd.
De oorsprong van de Cane Corso ligt in een ver verleden. De basis is de Canis
Pugnax (de Romeinse strijdhond). Deze kwam voort uit de strijdhonden
(oorlogshonden) van de Molossers, die woonden in Zuid-Albanië en Griekenland.
We praten nu over de vierde eeuw voor Christus. In 1200 wordt de Cane Corso voor
het eerst beschreven in de Italiaanse literatuur. Teofilo Folengo schrijft over
hem in zijn gedicht "Baldus" en in 1591 beschrijft Erasmo da Valvasone
(1523 – 1593) hem in een gedicht "La Caccia":
|
"Il Corso ha gran
possanza, ardito assale
la fera, et la ritien: poiché l’ha presa,
scoirre il dente non sà: ma poco vale
per raggiungerla poi, che in fuga è stesa:
non ha del ciel sortita al nome eguale
prestazza il corp suo, che troppo pesa:
et la virtù diffusa in sì gran seno
mal to riempie e ne vien tosto meno."
"Simulie al veltro in tutti i membri suoi
o sia corso, od alano, o forse uscito
fuor dell"Epiro, o de la gran Bretagna,
come il veltro sia destro, et sia spedito,
ma di persona più gagliarda et magna:
sia grosso, ma non grave, od impedito
da tanta mole, che la lena fragma:
abondi di grand’ossa, et di gran nerbo,
et sia facile a l’ira, aspro et superbo." |
De bekende Romeinse etser Bartolomeo Pinelli (1781 – 1835), die in zijn werk
populaire Romeinse en plattelandsgebruiken en –typen liet zien, was altijd
vergezeld van een Cane Corso. Er is een ets die ze te samen laat zien.
Het ras werd destijds al voor veel doeleinden gebruikt. Een hond, zeker een grote,
moest nut hebben om te kunnen blijven voortbestaan. De Cane Corso was met name
populair bij boeren, slagers, veldwachters en jagers.
Van de jaren ’50 tot begin ’80 wordt het ras in stand gehouden door een paar
herders, rundveehouders, jagers en boeren in de meest geïsoleerde delen van
Zuid-Italië (Puglia en Calabria). Dit waren eenvoudige mensen die al generaties
lang honden fokten. De honden werden nauwkeurig geselecteerd en men gebruikte
alleen de sterkste puppen uit een nest. Op deze manier werd vermeden dat men
honden kreeg die psychische of mentale problemen hadden.
Het herstel van de Cane Corso Italiano.
Wanneer dr. Breber en prof. Bonatti in de provincie Foggia zijn worden gewezen op het
bestaan van de Cane Corso. Zij komen in contact met 5 honden, waarvan zij er
één aanschaffen: een teefje, Mirak genaamd. Het is in 1976 dat de enthousiaste
hondenliefhebber en onderzoeker naar de Italiaanse tradities, dr. Breber, de
Cane Corso onder de aandacht brengt bij verschillende hondenliefhebbers. Hij
schrijft onder andere een artikel over de Cane Corso dat wordt gepubliceerd in
een tijdschrift van de ENCI (de Italiaanse Kennel Club).
Tussen
1975 en 1978 worden uit dekkingen tussen Mirak, Aliot en Frost in het totaal 17
puppen geboren. Van deze 17 puppen heeft men er in 1979 nog 6 in beeld. Deze 6
bewezen een molossoïde karakter te hebben, maar zijn daartegenover totaal niet
homogeen. Sommige hebben te korte neuzen, of juist te lange neuzen, anderen
hebben een schaar- of tanggebit.
Na
een grote verslagenheid wordt besloten een gedegen herstelprogramma op te
zetten. Prof. Casolini en signor Serene, kynologen en keurmeesters, hebben
hierbij hun medewerking verleend. De eerste honden die gebruikt worden voor dit
fokprogramma zijn Brina, Tipsi en Dauno. Uit deze combinaties komen vier nesten
voort, waarbij de puppen uit Tipsi en Dauno speciaal wegens hun homogeniteit de
aandacht krijgen.
Twee honden in het bijzonder, ontpoppen zich als basis voor het herstelprogramma: Basir en Bulan.
(Bulan)
De volgende stap van dr. Breber is het opzetten van een plan tot herstel van de
Cane Corso. Hij heeft hierover inmiddels contact gehad met een groep
enthousiastelingen. In oktober 1983 vindt de eerste officiële bijeenkomst (Raduno,
zoals men in Italië zegt) plaats. Er zijn hier 12 volwassen Cane Corso’s
aanwezig. Dr. Ventura heeft de taak deze eerste Cane Corso’s te keuren.
Uiteindelijk was men voldaan over de goede homogeniteit van deze honden. Tijdens
deze bijeenkomst wordt besloten om een rasvereniging op te zetten. De naam van
deze rasvereniging zal worden: Sociatà Amatori Cane Corso (S.A.C.C.).
Het basisdoel van het S.A.C.C. is het redden van het ras Cane Corso. In 1986 verlaat
dr. Breber het S.A.C.C.
Eén van de honden uit het eerste nest dat gefokt werd, was Basir. Basir heeft model
gestaan voor de 1e officiële rasstandaard, hij was een zoon van Dauno en Tipsi, twee honden in het bezit van dr. Breber.
De dekkingen van zonen van Dauno en Tipsi: Aliot en Babak, Bulan en Bubak, Basir en
Abab, brengen allen optimale zonen voort, heel homogeen, die later optimaal blijken te vererven.
Nadat dr. Breber het S.A.C.C. verlaten had concentreert het fokgebeuren zich om de
kennels in Mantova van Giancarlo Malavasi. Het hele fokprogramma en het
voortzetten van het S.A.C.C. is in handen van Stefano Gandolfi, Gianatonio
Sereni en Ferdinando Casolino. In verschillende periodes zijn het mr. Oreste Savoia en dr. Falvio Bruno, die als vice-voorzitter
functioneren binnen het S.A.C.C. Vanwege interne meningsverschillen stappen ook
deze heren uit het S.A.C.C. In deze periode is het enige doel de erkenning van
de Cane Corso door de ENCI. Dit doel wordt met veel energie en met redelijke
resultaten behaald. Jammer genoeg kan dit niet gezegd worden van de kwaliteit
van de honden, de kwaliteit van de honden uit het nest van Basir in 1980 wordt
niet meer geëvenaard. Tot op de dag van vandaag zijn er nog steeds grote
verschillen tussen de honden en zijn er weinig honden die met Basir kunnen
worden vergeleken.
Het
S.A.C.C. organiseert met groot succes verschillende bijeenkomsten voor
liefhebbers van de Cane Corso om het ras bekend te maken. Keurmeesters van de
ENCI keuren de honden die op deze bijeenkomsten worden voorgebracht. In 1987
wordt de officiële rasstandaard opgemaakt door dr. Antonio Morsiani,
ondersteund door een keurmeestercomité van de ENCI.
Deze
rasstandaard vertoont nogal wat onnauwkeurigheden. Waarschijnlijk om het ras
zoveel mogelijk af te laten wijken van de rasstandaard van de Mastino Napolitano,
maar dit leidt tot verschillende discussies.
Eén
van de belangrijkste nauwkeurigheden heeft betrekking op de het gebit, en wel de
stand van de tanden, de standaard spreekt over een lichte onderbijt. Het
tanggebit wordt getolereerd, maar komt net zo vaak voor bij de Cane Corso. Dit
is niet alleen aangetoond door verschillende fokkers (inclusief dr. Breber),
maar wordt ook vermeld in de officiële notities van de eerste bijeenkomst:
Convegno Nazionale di Civitella Affadena, op 16 juni 1990. Nog steeds zijn er in
Italië felle discussies gaande over de stand het van het gebit.
(Noot van de auteur: nog steeds staat er een fout in de standaard, de neuskleur van de
Cane Corso mag alleen zwart zijn, terwijl wel een blauw masker is toegestaan!).
In de jaren 1990 tot 1992 worden nog 6 Raduno’s georganiseerd, waarbij in het
totaal 500 Cane Corso’s worden ingeschreven. Op 25 november 1990 wordt de Cane
Corso geïntroduceerd op de tentoonstelling van Verona.
Om een betere kijk te krijgen op de ontwikkeling van de Cane Corso besluit de ENCI
de nesten, geboren uit ouders die door de keurmeesters officieel zijn
"goedgekeurd", bij te houden in een onofficieel hondenstamboek "Libro
Aperto", oftewel "Open Boek" geheten.
Op 20 januari 1994 wordt het ras officieel erkend door de ENCI en de gegevens uit
het "Libro Aperto" worden overgenomen in het Italiaanse
hondenstamboek. De grote interesse in dit zo aparte ras en de gedachte dat een
grotere populatie zou helpen aan een erkenning door de FCI, leidt tot een
ongecontroleerde groei van het aantal nesten. Consequent gevolg hiervan is een
reductie van de kwaliteit in vergelijking met het eerste begin. Het S.A.C.C.
doet hier niets tegen, in tegendeel, men neemt de kans waar om een grotere
publiciteit aan het ras te geven en zichzelf te benoemen als de redders van de
Cane Corso. Door deze publiciteit groeit de populatie uit van een paar nesten in
de beginperiode tot de 2500 jaarlijkse inschrijvingen in het Italiaanse
hondenstamboek van nu.
Om
toch de kans te krijgen de kwaliteit te verbeteren wordt besloten een
bijeenkomst te organiseren waarbij de Cane Corso’s van het hoogste niveau
bijeen komen om zo te komen tot een nieuwe presentatie van de karakteristieke
eigenschappen van de Cane Corso. Deze bijeenkomst vindt plaats op 22 mei 1996 in
Arese. Ch. Boris wordt hierbij gebruikt als model voor deze presentatie. Naar
aanleiding van deze bijeenkomst wordt, enkele maanden later in november 1996, de
Cane Corso officieel erkend door de FCI op internationaal niveau.
(Ch.
Boris)
Men dacht dat deze erkenning zou leiden tot een positief resultaat van de kwaliteit
van de Cane Corso, maar helaas, het tegendeel bleek weer waar te zijn. Veel
buitenlanders, aangetrokken door het nieuwe ras, kopen de Cane Corso zonder
enige kennis over het ras te bezitten. Vaak is hun keuze gebaseerd op de
gebrekkige informatie, de kleur of de prijs van de puppen, die altijd
verkrijgbaar zijn. Dit leidde in de laatste paar jaar tot een totaal gemis aan
serieuze informatie en begeleiding van het ras op internationaal niveau. De
enkeling die serieus geïnteresseerd is loopt tegen een groot
communicatieprobleem met het SACC op.
Na jaren slecht management en regelmatig terugkomende disciplinaire maatregelen van
de ENCI, besluit deze tot het ontslag van het SACC als officiële
vertegenwoordiger en rasvereniging van de Cane Corso. Om toch een rasvereniging
te hebben in Italië besluiten een aantal liefhebbers tot het oprichten van een
nieuwe vereniging: het A.I.C.C. (Assoziazone Italiano Cane Corso). In enkele
maanden lukt het deze vereniging om de liefhebbers bij elkaar te brengen door
een goed beleid. Het ENCI besluit dan ook tot het starten van de procedure tot
erkenning van het A.I.C.C. als officiële rasvereniging.
De huidige Cane Corso is een vriendelijke huishond en perfecte kameraad voor het
gezin, maar ook een hond van een ras dat twintig jaar geleden nog de
schaapskuddes en boerenerven bewaakte.
De Cane Corso Italiano in Nederland
Sinds 1992 komt de Cane Corso voor in Nederland. In februari 1997 wordt het eerste
nest, gefokt door de heer F. Eleonora, geboren dat wordt ingeschreven in het NHSB.
In datzelfde jaar wordt de Cane Corso voor het eerst op de Paasshow in Arnhem
gepresenteerd. De keurmeester op deze show is de heer Van Montfoort, die 16 Cane Corso’s beoordeelt, waarvan het grootste deel uit het
land van oorsprong afkomstig is.
In oktober van dat jaar besluiten de heren Eleonora en de Vries tot oprichting van
de Cane Corso Club Nederland. Na de behaalde eisen voor erkenning als rasvereniging is de C.C.C.N. in augustus 2000 officieel
toegetreden tot de Vereniging Raad van Beheer op Kynologisch Gebied. De C.C.C.N. werkt nauw samen met het A.I.C.C. en het I.C.C.F.
(International Cane Corso Federation) om zo te komen tot een grotere homogeniteit.
Inmiddels kent ook Nederland zijn eerste kampioenen: Gunter wordt in 1998 de eerste Cane
Corso reu in die het Nederlands Kampioenschap behaalde, de teef die deze titel voor het eerst behaalde is Maia.
(Maia)
Sinds 2000 heeft Nederland ook zijn eerste kampioen die in Nederland gefokt is:
Goliath’s Warrior Délano, zoon van Ayrton en Maia.
(Délano)
- - - - - - -
(foto: Alice van Kempen)
Geraadpleegde bronnen:
Il Cane Corso, R. Carosio
Il Cane Corso, Casolino en Gandolfi
Il Cane Corso, Chiecchi en Gualtieri
Internet.
Met dank aan Nancy Koper.
auteur: J. J. de Vries-Buitenweg (mail)
site: www.canecorsoitaliano.nl